Psychoanalyse

 

De natuurkunde en ook andere wetenschappen passen graag lineaire analyse toe om dingen te onderzoeken. Als lineaire analyse past, dan kan het onderzochte in een aantal onafhankelijke onderdelen gesplist worden. Elk van deze onderdelen is met een bepaalde sterkte in het onderzochte object aanwezig. Deze onderdelen kunnen afzonderlijk onderzocht worden. Ook is het mogelijk om onderdelen te vervangen en er via lineaire compositie met de andere onderdelen een nieuwe vervanger van het oorspronkelijke object uit te synthetiseren.

 

Het woord psychoanalyse wijst erop dat de onderzoeker ernaar streeft om de psyche van de onderzochte persoon in een aantal onafhankelijke aspecten met bijpassende sterkte uiteen te leggen. Daarvoor is noodzakelijk dat er een methode bestaat om de sterkte van de psycheonderdelen van de proefpersoon te meten.

Als de meting beschikbaar is dan kan met het resultaat bepaald worden of de proefpersoon tegen een bepaalde taak opgewassen is of dat hij binnen een bepaalde doelgroep goed kan functioneren. Het kan ook zijn dat het meetresultaat gebruikt wordt om te bepalen waar de proefpersoon het beste past. Daarbij gaan we er al vanuit dat de onderzoeker zulke conclusies uit de meetresultaten af kan leiden en dat de meetfouten laag genoeg zijn om de conclusies op verantwoorde wijze te trekken. Het meetresultaat vertegenwoordigt een punt in een meerdimensionale ruimte. Elke dimensie staat voor een onafhankelijk psycheonderdeel. Hetzelfde geldt voor het doel. Door de meetfouten is het meetresultaat niet langer een punt, maar een gebiedje. Ook het doel kan onnauwkeurigheden bevatten. De conclusie wordt afgeleid uit de afstand tussen het zwaartepunt van het meetresultaat en het zwaartepunt van het doel.

 

De proefpersoon bevat geen metertjes waarop de onderzoeker deze sterkte kan aflezen. Zijn onderzoeksinstrumenten beperken zich tot het stellen van vragen en het observeren van het gedrag van de proefpersoon. Dat laatste kan gepaard gaan met het objectief meten van de hersenactiviteit en de verdere door emoties bepaalde lichaamstoestand. Deze meetmethodiek oogt erg onnauwkeurig en de onderzoeker moet maatregelen nemen om de onnauwkeurigheid te compenseren. Dat komt meestal neer op het doen van extra, metingen die zoveel mogelijk onafhankelijk zijn. Daarnaast zal de onderzoeker zijn meetmethode moeten ijken. Dat kan door het onderzoeken van een grote groep testpersonen waarin de onafhankelijke psycheonderdelen zo goed mogelijk gelijkmatig verspreid zijn. Er bestaan wiskundige technieken die de onderlinge afhankelijkheid van de diverse testen aangeven zodat de meetresultaten daarvoor gecompenseerd kunnen worden. De ijking geeft ook aan wat de te verwachten nauwkeurigheid van de meetmethode is.

Het is de vraag of de huidige psychoanalyse deze rigoureuze techniek toepast en zelfs dan is het de vraag of de noodzakelijke meetnauwkeurigheid bereikt wordt. Het is niet onwaarschijnlijk dat de psychoanalyticus zijn intu´tie een grotere rol laat spelen dan zijn technische vaardigheid. Toch geeft de wijze waarop de testen van proefpersonen gedaan wordt de indruk dat er op serieuze wetenschappelijke wijze gewerkt wordt. Als de onderzoeker geen bewijs kan geven van de scherpte van zijn meetgereedschap dan kan men gevoeglijk aannemen dat de proefpersoon feitelijk bedrogen wordt.